spotlight

De examens zijn weer begonnen!!

Milou, die maandag examen kunst heeft gedaan, heeft haar verhaal gedaan voor de Alkmaarsche Courant (zie verder in dit bericht).

 

Woensdag 16 mei

Woensdagochtend deden de leerlingen van 5 Havo examen Duits. Elisha en Monique gaven aan dat het examen makkelijk begon, maar daarna steeds moeilijker werd.

“Het was ook best veel werk, twaalf teksten met 42 vragen. We hadden vooraf wel goed geoefend, er zaten geen onverwachte opgaven bij.”
De meest opvallende tekst was er een over een tuinkabouter die 7 maanden op wereldreis was geweest… was meegenomen uit een tuin…
Jordy: “Over het algemeen wat het examen echt niet makkelijk, alleen in het begin was het simpel.”

Thomas gaf nog aan dat het vele leeswerk soms niet in verhouding stond tot de op te leveren score; anderhalve bladzijde lezen voor maar één punt…

 

Woensdagmiddag stond voor 4vmbo het examen Nederlands op het programma. Terwijl velen nog zuchtten onder het werk, kwamen Mara, Leonie, Margreet en Anne als eersten de examenzaal uit.

De meningen waren verdeeld. Mara vond het minder werk dan verwacht, ‘maar je moest wel vet opschieten’. Ze had ook meer open vragen verwacht. Margreet had veel oefenexamens van andere jaren gedaan, ze vond dit examen moeilijker; ‘De vraagstelling was niet altijd duidelijk’; wat werd bedoeld met “algemene opvatting”? Het meeste werk was de samenvatting, die ging over het opgeven van doelen.

Anne vond die heel moeilijk; ‘je mocht maar vet weinig woorden gebruiken!’. De meiden moest zo’n 5,5 halen voor hun examen, ze hopen dat dat gelukt is.


 

 

 


Aardrijkskunde? Informatie over landen!

Dit is de startbladzijde voor het vak Aardrijkskunde van het Stedelijk Dalton College. Voor een praktische opdracht, werkstuk of eigen interesse kun je de links aanklikken naar allerlei onderdelen van de school aardrijkskunde. Je kunt natuurlijk ook bij zoekmachines kijken.

Examen materiaal

De Geo vwo Globalisering

1      De wereld: systeem van landen en relaties

De hoofdvraag van dit hoofdstuk is: welke processen hebben geleid tot het huidige patroon van samenhang en verscheidenheid aan relaties tussen landen?

 

1.1 De samenhang in het wereldsysteem

► Drie soorten economische relaties:

● Handelsrelaties

● Macro-economische schommelingen in de productie

● Vestigingsgedrag van ondernemingen. 

► De grote samenhang tussen gebieden maakt landen kwetsbaar. 

►Het (economisch) wereldsysteem kent drie groepen landen:

˜  centrum of kernregio’s

˜  semi-perifere regio’s (middenpositie)

˜  perifere regio’s

► Het wereldsysteem is in de loop van de eeuwen in drie opzichten veranderd:

˜  De ruimtelijke schaal werd groter.

˜  De positie van staten binnen het wereldsysteem wisselde.

˜  De aard van de economische relaties veranderde.

 

1.2 Wereldsysteem in historisch perspectief

► Voordat het wereldsysteem ontstond waren handelsrelaties beperkt.

► Vanaf het einde van de 15e eeuw ontstond wereldwijde handel in (sub-)tropische gewassen.

► West-Europa werd de kernregio vanwege meerdere factoren:

● de ontwikkeling van de kapitalistische markteconomie

● de stimulerende rol van de eerste moderne staten in Europa

● de handel bezorgde de Europese staten zeer veel inkomsten

► Vanaf eind 18e eeuw ontwikkelde de industrie zich in de West-Europa.

► Massaproductie is afhankelijk van continue aanvoer van grond- en hulpstoffen, halffabrikaten en energiebronnen.

● Perifere landen gingen ook mijnbouwproducten leveren. Er ontstonden exploitatiekolonies

● De kernregio ging om die reden ook investeren in de infrastructuur van de periferie.  

● De productie moest ook afgezet worden. Kolonies fungeerden ook als afzetmarkt.

► Er ontstond een tweede centrum in het wereldsysteem: Noord-Amerika.

► De Amerikaanse overheid stimuleerde een ondernemende klasse en realiseerde de infrastructuur.

►In de voedselbehoefte van de stedelijke bevolking van de Europese kernregio werd voorzien door steppegebieden van bijvoorbeeld Argentinië, delen van Zuid-Afrika en enkele regio’s in Australië en Nieuw-Zeeland met goede bodems en/of klimaat.

● Noord Amerika benutte het zeer vruchtbare stroomgebied van de Mississippi.

►De ‘greep’ van hegemoniale staten op de periferie werd groter in de 19e eeuw.

● Duitsland, Frankrijk en Nederland, de VS en Japan bedreigden de sterke Britse positie.

► Er was sprake van imperialisme.

● Japan ontwikkelde zich vanaf einde 19e eeuw tot derde kernregio.

► Na deTweede Wereldoorlog: dekolonisatie, groei van de hegemoniale positie van VS, toename van de  economische kloof tussen kernregio’s en grote delen van de periferie. Er ontstonden drie groepen landen:

● de ‘eerste wereld’

● de ‘tweede wereld’

● de ‘derde wereld’.

► Na de dekolonisatie bleef de afhankelijkheid ten opzichte van het centrum bestaan: neokolonialisme.

● Ex-kolonies leverden ruwe agrarische grondstoffen, mijnbouwproducten en voedsel leveren.

● De ruilvoetverslechtering zorgde voor steeds meer achterstand van de periferie.

● De afzet van industrieproducten uit de kerngebieden in de derde wereld maakte de industrialisatie van perifere landen moeilijk en de ambachtelijke nijverheid werd vernietigd.

► Landen kunnen hun positie binnen het wereldsysteem verbeteren. Voorbeelden zijn:

● Japan ontwikkelde zich tot kernregio met eigen periferie: Oost-Azië.

● Nieuwe industrielanden (NIC’s).

► Sommige vroegere landen met planeconomie kregen na 1989 een kapitalistische economie.

 

1.3 Geen ‘wereldsysteem’ zonder vervoer

► Globalisering.

● De relatieve afstand hangt o.a. samen met transportmiddelen en infrastructuur.

► De tijd-ruimtecompressie nam steeds sneller toe.

● Het zeetransport verbeterde door navigatie- en zeiltechnieken, cartografische kennis en het in gebruik nemen van stoomschepen.

● Het land- en luchttransport verbeterde door de stoomtrein, verbrandingsmotoren.

● Bij veel vormen van vervoer zijn ook technieken voor informatieoverdracht van groot belang.

►Transport- of vervoersnetwerken zijn opgebouwd uit hubs en spokes.

► Nieuwe transporttechnologie heeft grote invloed op het wereldsysteem. Voorbeelden zijn:

● De ontsluiting van steppegebieden door spoorwegen westelijk van de Appalachen (VS).

● In koloniale landen was het transportnetwerk een afspiegeling van de exporteconomie.

► De moderne communicatietechnologie veroorzaakt op lagere ruimtelijke schaalniveaus verschillen tussen gebieden.

● De elektronische snelweg heeft enorme invloed op de globalisering.

● Nadelen van de moderne communicatietechnologie zijn de kwetsbaarheid, de afhankelijkheid van energie, misbruik van informatie en virusrisico’s.

 

1.4 Globalisering en de culturele dimensie

► Het wereldsysteem kan bestudeerd worden vanuit vijf dimensies.

● Een fysisch-geografische dimensie,

● een sociale dimensie,

● een economische dimensie,

● een politieke dimensie,

● een culturele dimensie.

► Binnen het wereldsysteem komen cultuurgebieden voor. Daartussen bestaan grote verschillen.

► Globalisering heeft de meest uiteenlopende volken en culturen met elkaar in contact gebracht.

► Culturen veranderen zowel van binnen uit als door het contact met andere culturen. Bijvoorbeeld:

● de introductie van de kapitalistische markteconomie zorgde voor privébezit

● de standaardisering van ‘tijd’

● Europeanisering en Amerikanisering

● spanningen tussen bevolkingsgroepen uit verschillende cultuurgebieden.

► Ruimtelijke diffusie. Het verloop van ‘ruimtelijke diffusie’ hangt af van:

■ De manier waarop een verschijnsel van het herkomstgebied in een introductiegebied terecht komt.

■ De bereidheid bij het ontvangende gebied om vernieuwingen te accepteren.

► De westerse ICT-technologie maakt het vrij moeilijk om waarden en normen ‘buiten de deur’ te houden.

► Migratie leidde tot contacten met andere culturen en volkeren.

● Europa kreeg vanaf de jaren vijftig langzaam een positief migratiesaldo.

● Noord-Amerika was altijd een immigratiegebied bij uitstek.

● Latijns-Amerika heeft lang te maken gehad met immigranten uit onder andere Europa.

● Afrika is al eeuwenlang een vertrekgebied. Zuid-Afrika is daarbij een van de weinige uitzonderingen.

● Vanuit het Europees deel van de voormalige Sovjet-Unie migreerden Russen richting Azië.

● Australië en Nieuw-Zeeland waren eeuwenlang vestigingsgebieden voor Europeanen.

 

1.5 De economische dimensie

► Binnen het wereldsysteem bestaan drie ‘subsystemen’, die vormen samen de economische triade.

► Naast handel zijn inmiddels ook veel diensten.  Er zijn vooral informatiestromen tussen de drie delen van de kern. De (semi-) periferie laat een sterker informatieverkeer zien tussen Latijns-Amerika en de VS, tussen Afrika en Europa, en tussen Japan en Azië.

● Dat patroon is ook herkenbaar bij de investeringen.

► Multinationale ondernemingen ontstonden al tijdens het handelskapitalisme.

► Multinationals maken gebruik van kosten- en opbrengstverschillen tussen gebieden.

► Kostenverlaging en/of opbrengstverhoging kan op tal van manieren bereikt worden:

● via schaalvergroting

● door het opzetten van ‘joint ventures’

● door onderdelen van de productieketen daar te vestigen waar dat economisch gezien het beste is

● via uitbesteding (‘outsourcing’)

● door het binnendringen van nieuwe afzetmarkten.

► Ook instellingen en organisaties van staten zorgen voor samenhang tussen landen zoals WTO. Liberaliseren kan gericht zijn op drie zaken:

● handelsbelemmeringen,

● kapitaal

● vrijere migratie.

► Een aantal economische ‘blok’vormen zijn:

● vrijhandelszone,

● de douane-unie,

● een gemeenschappelijke markt

● en een economische unie.

► Vooral in de centrumregio’s zijn deze blokken economisch en politiek machtig (NAFTA en EU).

 

1.6 De politieke dimensie

► Drie factoren spelen een rol bij de vraag of de invloed van de politiek op de economie groot is.

● 1. De stabiliteit van de regeringen.

■ Ondernemers uit het buitenland zijn eerder bereid om te investeren, omdat ze minder risico lopen.

■ De overheid heeft meer tijd om te werken aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat.

● 2. De mate waarmee de overheid zich direct met de economische beslissingen wil ‘bemoeien’.

● 3. De invloed die de overheid kan uitoefenen op geografische kenmerken van het land die een rol spelen bij het nemen van economische beslissingen. De overheid is in ieder geval in staat om:

■ afzetmarkten via handelsbarrières af te schermen

■ belastingvoordelen voor binnenlandse productie te bieden of subsidies te verlenen

► Het al dan niet liberaliseren is een politiek besluit.

► 200 landen vormen het wereldsysteem.

► Overheden proberen vaak ’nation building’ te bevorderen.

● Soms is er weerstand tegen in de vorm van regionalisme of zelfs separatisme.

► Geopolitici onderscheiden twee soorten krachten die van invloed zijn op staatsvorming:

● Centrifugale krachten.

● Centripetale krachten.

 

2      De wereld, een regionaal mozaïek

De hoofdvraag in dit hoofdstuk is: wat zijn de effecten van en de reacties op globalisering in enkele voorbeelden van kernlanden, een semi-perifeer land en een perifeer land?

 

2.1  Ruimtelijke verschillen, wat zit daar achter?

► Door de veranderingen in de internationale arbeidsverdeling ontstaan ruimtelijke verschillen in welvaart binnen landen.

► Dat heeft veel te maken met recente ontwikkelingen in de moderne communicatietechnologie.

● In de ‘fast world’ is de toegankelijkheid tot internet groot; in de ‘slow world’ is dat veel minder.

● Het sterkst is de ‘fast world’ geconcentreerd in de kernregio’s.

● De ‘slow world’ komt niet alleen in echte perifere gebieden voor, maar ook wel in de kerngebieden.

● De stedelijke gebieden hebben een voorsprong vergeleken met plattelandsgebieden.

► Technologische ontwikkelingen werken door in productieprocessen en locatie van ondernemingen.

● Tot de jaren zeventig was sprake van industriële massaproductie. Het ‘Fordisme’ voor vrijwel verdwenen.

● Nu is er vooral sprake van ‘customizing’ en ‘Toyotisering’. Redenen:

■ consumenten vooral in stedelijke regio’s wonen,

■ innovatiecentra vooral in steden voorkomen en

■ steden tot de ‘fast world’ horen.

►Clusters vormen zich vooral in of nabij grote steden.

● Grote bevolkingsdichtheid en de concentratie van bedrijven maken investeringen in steden rendabeler. Daar bevinden zich ook wetenschappelijke instellingen of toeleveringsbedrijven en hebben bedrijven een snel veranderende stedelijke afzetmarkt.

► Er ontstaan concentraties van kennis- en kapitaalintensieve economische activiteiten in grotere stedelijke milieus.

 

2.2  Europa: oude kernregio met rimpels

► Europa lijkt in de 20e eeuw macht in de wereld te verliezen door verbrokkeling.

► Het economische en politieke zwaartepunt van Europa ligt in de ‘gouden driehoek’ en verschuift langzamerhand wat meer naar het zuidoosten.

► Centrifugale krachten en fragmentatie zijn in Europa nauw verbonden met regionalisme:

● De Balkan, vanwege het complex spreidingspatroon van de vele volkeren.

● In Baskenland is het streven naar soevereiniteit groot.

● In Noord-Ierland bestaat een kwetsbaar vredesverdrag tussen katholieken en Noord-Ierse protestanten.

● In België speelt de tegenstelling tussen Vlaanderen en Wallonië.

● Andere voorbeelden zijn Cyprus, Corsica en Noord-Italië.

► De vorming van de EU is een voorbeeld van het streven naar meer eenwording.

► Andere voorbeelden: Europese Vrijhandelsassociatie (EVA of EFTA), de voormalige Comecon in Oost-Europa en de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO/NATO).

► In het proces van globalisering dreigt de positie van Europa te verzwakken. Voorbeelden zijn:

● De afhankelijkheid van natuurlijke hulpbronnen uit andere werelddelen.

● Bedreiging van werkgelegenheid door uitschuiving.

● De meeste landen kampen met flinke vergrijzing.

● De economische en politieke blokvorming staat onder druk

● Grote druk vanuit perifere landen en de VS om Europese subsidies af te schaffen

 

2. 3     Japan en China, een ‘reuzen’-verschil

► Vanaf het midden van de 19e eeuw werd Japan betrokken in de handelssfeer van Europa. Vervolgens:

- ontwikkelde Japan zich tot een industrieel kapitalistisch centrumland met een eigen periferie

- en legde zich in de eerste Wereldoorlog toe op oorlogsindustrie en scheepsbouw, veroverde de textielindustrie Aziatische en Latijns-Amerikaanse afzetmarkten. Zaibatsu bezitten de economische macht.

► In de Tweede Wereldoorlog ontstonden keiretsu.

► De afgelopen decennia werd de positie van Japan binnen het wereldsysteem sterker.

► In 1997 was er de Azië-crisis. Japan heeft moeite om te herstellen.

► Na de Tweede Wereldoorlog drong het communisme op in landen rond Japan: in China en Noord-Korea. De politieke situatie is er nog niet tot rust gekomen. 

► Globalisering zorgt in Japan voor toenemende regionale verschillen.

● In perifere regio’s constateren geografen zogenaamde backwash-effecten, namelijk:

-    selectieve migratie van arbeidskrachten

-    beperkte publieke en private investeringen en geringe werkgelegenheid

► De investeringen in andere delen van Azië maken de nauwe band tussen de Japanse overheid en industrie losser. Ook typische cultuurkenmerken verdwijnen

 

► China is gezien het lage inkomen per hoofd van de bevolking een perifeer land.

►Tot het einde van de jaren zeventig was China  zeker nog een ‘onderontwikkeld’ land.

► In het begin van de 20e eeuw werd een deel van China bezet door Japan. In 1949 werd China een communistisch land.

► Vanaf Mao’s dood (1976) zette China langzaam de deur open naar het kapitalistische wereldsysteem.

► Ondernemingen sluiten steeds minder contracten af met de staat.

► De regionale tegenstellingen in het land groeiden in de afgelopen decennia. Een reden is dat de liberalisering vooral van toepassing is op ‘speciale economische zones’. 

● Een voorbeeld van zo’n zone is Shenzhen. 

˜  Een ander voorbeeld ligt in de regio Shanghai, vanwege de zeehaven.

► Het succes van de economische zones was wisselend.

► China laat westers kapitaal slechts gedoseerd toe vanwege de beperkte concurrentiekracht van nogal wat Chinese ondernemingen, vanwege het gevaar van sociale en politieke onrust en om de toestroom vanaf het platteland naar sterk groeiende steden te beperken.

► De gemiddelde jaarlijkse groei van het BNP was erg hoog, maar tegenstellingen zijn toegenomen.

● Sociaal gezien profiteerde vooral de toplaag van de Chinese samenleving.

● Ook de ruimtelijke verschillen namen toe.  

˜  Er blijven regio’s achter. Op nationale schaal is sprake van afstandsverval. Dat leidt tot migratiestromen.

► De tegenstellingen op lokaal niveau hangen samen met die ruraal-urbane migratie. Gevolg is het ontstaan van krottenwijken en ruimtelijke segregatie.

 

2.4      Brazilië, een moeilijk te plaatsen land

► Alle culturele verschillen leiden in Brazilië nauwelijks tot maatschappelijke conflicten.

► De urbanisatiegraad van Brazilië is hoog. De meeste steden liggen dicht bij of aan de kust.

● Het nederzettingspatroon hangt samen met het koloniale verleden waarin veel goederen werden uitgevoerd.

● In de 20e eeuw ging Brazilië over op invoersubstitutie. Vanaf 1950 groeiden de steden explosief.

● De invoersubstitutie was niet erg succesvol. Daarom ging het land aan het einde van de 20e eeuw over tot industriële productie voor de export.

► Brazilië hoort niet tot de economische kernlanden, maar ook niet bij de perifere landen.

► Brazilië kent vier soorten gebieden:

● sterk verstedelijkte kerngebieden

● marktgerichte primaire productiegebieden

● rurale probleemgebieden

● ‘resource frontiers’

► Ook in Brazilië nemen de regionale tegenstellingen toe. ‘Backwash-effecten’ en ‘spread-effecten’ spelen daarbij een voorname rol. De regionale ongelijkheid is groot.

► Binnen Brazilië liggen enkele regio’s, waarop zonder meer drie kenmerken van perifere gebieden van toepassing zijn: een laag inkomen, eenzijdige productie van primaire goederen en een eenzijdig exportpakket.

● Ook op lokaal niveau is sprake van fragmentarische modernisering.

● In de steden is de sociale ongelijkheid groot.

● Ook Brazilië kenmerkt zich onder andere door de grote inkomensverschillen.

 


3    De wereld indelen

De hoofdvraag van dit hoofdstuk is: hoe meet je de sociaal-demografische verschillen tussen landen en welke onderlinge samenhang is er in de spreidingspatronen van de indicatoren die het ontwikkelingspeil van landen aangeven te zien?

 

3.1  Cultuur en mensen in de bewoonde wereld

► Veel ruimtelijke spreidingspatronen vallen samen. Dat maakt het  mogelijk om de wereld in macro-regio’s in te delen.

► Het indelen van een gebied in regio’s op basis van hetzelfde kenmerk heet regionaliseren.

● De kenmerken moeten meetbaar worden gemaakt om gebieden goed te kunnen vergelijken.  

● In de aardrijkskunde worden ruimtelijke indicatoren gebruikt.

● Daarbij is het belangrijk om te werken in het juiste ruimtelijke schaalniveau, van mondiaal tot lokaal.

● Tussen regio’s blijken vrijwel nooit scherpe grenzen te zijn, er is vaak sprake van een overgangsgebied.

► Onder cultuur verstaan we alles wat door de mens is aangeleerd en gemaakt.

● De opvatting wat cultuur is, is afhankelijk van het standpunt van de wereldbewoner.

● Cultuur is medebepalend voor de menselijke bestaanswijze en hoe het landschap wordt ingericht.

● Diffusieprocessen verlopen versneld door globalisering en moderne communicatiemiddelen.

● Als mensen voelen dat hun cultuur in de knel raakt, dan ontstaan vaak conflicten.

► De voornaamste cultuurelementen zijn taal, godsdienst en het normen- en waardenpatroon.

● Bij de verbreiding van religies over de wereld speelden de politiek-militaire macht een belangrijke rol.

● Door de verspreiding werden de religies onderling beïnvloed.

► Via de verbreiding van de islam, verspreidde ook de Arabische taal en het schrift over de wereld.

● Veel westerse talen verbreiden zich door koloniale expansie en migratie: via relocatie of via hiërarchie

■ Diffusie verliep vaak via havens en dan landinwaarts.

■ Het Nederlands is in Indië geen voertaal geworden. Het Maleis en het Portugees waren al lingua franca. Ook waren de Nederlanders gericht op handel en winst maken, niet op cultuurverbreiding. 

► Bij demografie is het begrip bevolkingsdichtheid belangrijk. Maar: het is een gemiddelde en geeft geen informatie over draagkracht van een gebied en over overbevolking.

● Een beter begrip is bevolkingsspreiding. Maar: maakt niet de relatie met welvaart, democratie, sociale ontwikkeling duidelijk.

● ‘Bevolkingsgroei’ legt wel zo’n verband. Vooral het geboortecijfer is een goede indicator om landen te vergelijken.

■ Een hoge bevolkingsdruk is reden voor innovatie en diffusie, maar ook een bedreiging voor de welvaart en hulpbronnen (Malthus).

► De redenering van Malthus is maar ten dele juist. De toename van de welvaart leidt eerder tot afname van de natuurlijke groei.

De leeftijdsopbouw van een gebied wordt weergeven in leeftijdsgrafiek.

● Er zijn drie modellen: piramidemodel, een model met een spitse kogel, ui-model.

● Verhouding tussen de productieven en de niet-productieven in de bevolking is de demografische druk.

● Toename van de economische en sociale ontwikkeling leidt tot afname van de demografische druk, daarna tot toenemende vergrijzingsproblematiek.

► Het demografisch transitiemodel geeft aan hoe de leeftijdsgrafieken veranderen in de loop van de tijd.

● Fase 1: de agrarisch-ambachtelijke fase

● Fase 2: de proletarische fase

● Fase 3: de moderne fase

● Fase 4 en 5: postindustriële fase

► Een aantal van de allerarmste landen zit nog steeds in fase 1.

● Bevolkingszwaartepunt schuift in de richting van minder ontwikkelde landen.

 

 

3. 2  Geld, politiek en ontwikkeling in de bewoonde wereld

► Grens tussen een welvarend en niet welvarend land is niet duidelijk. Criteria: de hoogte van de productie, inkomen en werkgelegenheid.

● Probleem is dat de indicatoren verschillen in inhoud en in aantal per land.

● Ook zijn de cijfers vaak onbetrouwbaar.

► Het nationaal inkomen per hoofd is het meest gebruikte criterium om ontwikkeling te meten.

■ In theorie zijn het nationaal inkomen, het nationaal product en de nationale bestedingen gelijk aan elkaar.

► Groei van het BNP betekent niet altijd de groei van de welvaart.

► Bij het gebruik van het BNP moet voorbehoud worden gemaakt.

■ In landen met grote mate van zelfvoorziening is het bepalen van het BNP nogal ‘natte vingerwerk’.

■ Ook de omrekenkoers naar dollars wijkt vaak van werkelijke waarde.

■ Tot slot zijn er grote verschillen in koopkracht per land.

● Er is verschil tussen het BNP en het BBP. 

˜  Koopkracht  is een indexcijfer.

■ De Hamburger-index is een voorbeeld van koopkrachtvergelijking.

► Let op: het BNP is altijd een gemiddelde.

● Lorenz curve is ook toe te passen op de Gini-index.

■ Die geeft een indruk van de verdeling, maar is geen maatstaf voor absolute armoede.

■ In het algemeen geldt dat in ontwikkelingslanden de verdeling meer ongelijk is dan in hoogontwikkelde landen.

● De kritiek op BNP leidt tot het gebruik van een samengestelde variabele, zoals VN-ontwikkelingsindex.

► Bestaansmiddelen worden  verdeeld in primaire, secundaire en tertiaire sectoren.

● De omvang daarvan is aangegeven in procenten van de beroepsbevolking.

● In het algemeen geldt: hoog percentage mensen in de landbouw betekent dat het land laag minder ontwikkeld is. Grootte van de tertiaire sector is misleidend omdat de informele sector groot kan zijn.

► Het democratisch gehalte is ook een aanwijzing voor ontwikkeling.

● De VN stelde de Rechten van de mens (VN) op.

■ Organisaties als de EU en Amnesty International hebben een corrigerende functie.

● In het algemeen geldt dat in autoritaire systemen de corruptie het grootst is.

■ De mate van corruptie verschilt sterk.

■ Voorkomen van corruptie heeft politieke, economische en sociale redenen.

● Vanwege het illegale karakter van corruptie zijn er geen betrouwbare cijfers over.

● Er is slechts een geringe relatie tussen stabiliteit en het democratisch gehalte van een land.

● Er bestaan veel bondgenootschappen en samenwerkingsverbanden tussen landen.

► Onderwijs is een voorwaarde voor de ontwikkeling van een land.

● De geschooldheid is te meten aan het aantal jaren dat onderwijs wordt gevolgd naar niveau.

● en de mate van analfabetisme.

■ De betrouwbaarheid van het cijfermateriaal over analfabetisme in ontwikkelingslanden is gering.

► Ook het verstedelijkingsproces is een belangrijk sociaal kenmerk van landen.

● Er is verschil tussen urbanisatiegraad en urbanisatietempo.

■ Urbanisatie leidt tot sociaal-culturele verstedelijking, economische verstedelijking en demografische verstedelijking.

● Volgens VN criteria is een stad een nederzetting met meer dan 20.000 inwoners.

 

3.3 Welvaart, modernisering en ongelijkheid in Duitsland, Tsjechië en Egypte

► Duitsland is dichtbevolkt, het telt de meeste mensen in de EU.

● de bevolkingsspreiding is ongelijk.

● Het heeft een hoge urbanisatiegraad.

► Duitsland is een economische grootmacht.

● Het is ook een echt industrieland; het belang van de secundaire sector is groot.

● De Modernisering startte begin 19e eeuw met de aanleg van veel infrastructuur. De bevolking groeide sterk en velen trokken naar de stad.

► Het vruchtbaarheidscijfer nam af na 1960 door de anticonceptiepil en andere moraal.

● Dalend geboortecijfer en toenemende welvaart leidt tot sterke vergrijzing en grote demografische druk.

► Tsjechië ontstond in 1918. In 1993 maakte Slowakije zich los. Beiden zijn sinds 2004 lid van de EU.

● Voor WO II had Tsjechië al een sterke economie. Nog steeds is het een industrieland, maar de dienstensector is sterk uitgebouwd.

● De bevolking (10 miljoen) is tamelijk gelijkmatige spreiding. Praag is de primate city.

● Het land kent een dalend bevolkingsaantal.

► Egypte werd bezet door de Britten. Het werd zelfstandig na WO II. Het heeft  80 miljoen inwoners en er is  een groot tekort aan water en land. Ook de medisch-hygiënische situatie is zorgwekkend.

● Egypte heeft een dalend maar nog hoog kindersterftecijfer.

● Er is grote ruimte tussen het geboorte- en sterftecijfer en er bestaat een hoge ‘groene druk’.

► Egypte is een zogenaamde democratie met beperkte burgerlijke vrijheden.

● De landbouw is van relatief groot belang in de samenleving. Een andere relatief grote sector is het toerisme. De informele sector neemt belangrijke plaats in binnen de economie.

► Om te kijken naar de ongelijkheid in de drie landen, moet je twee soorten ongelijkheid te onderscheiden:

● Sociale ongelijkheid. Sociale ongelijkheid heeft vaak religieuze of etnische redenen.

● Regionale ongelijkheid.

● Vaak is er een tweedeling tussen stad en platteland (urbaan - ruraal).

► De Industriële ontwikkeling vond eerst vooral plaats in stedelijke gebieden. Na 1970 maakten de zuidelijke deelstaten een inhaalslag (Nord-Süd-Gefälle).

● Probleemgebieden waren er voor 1989 vooral in de grensregio’s. Na de val van de muur gingen enorme geldstromen naar de nieuwe periferie. Toch ontstond een groot vertreksaldo uit het oostelijk deel, vooral van jongeren. Sinds 1997 neemt de kloof tussen west en oost weer toe wat betreft inkomens, bevolkingsaantal en -dichtheid.

► Tsjechië is een transitieland.

● Pluspunten van Tsjechië zijn de goede geografische ligging, de industriële traditie, de vele geschoolde arbeidskrachten en relatief lage lonen.

■ Vraag voor de EU is hoe de groeiende regionale ongelijkheid te verminderen is.

► Egypte kent grote sociale verschillen.

● In het algemeen geldt: armoede leidt tot hoge kindersterfte, en vervolgens weer tot hoge vruchtbaarheidscijfers.

● 95% van de bewoners woont in het Nijldal, dat kent een zeer hoge dichtheid.

● Groot-Caïro is de primate city (17 miljoen inwoners).

● De overheid stimuleert de bouw van nieuwe woestijnsteden om de druk te verlichten.

► Programma van economische liberalisering leidde tot toename van het BNP, maar ook van ongelijkheid.

● De overheid verminderde de steun aan zwakke groepen. Ze rekent op een trickle down effect.

 

 

4    Stedelijke knooppunten in de Verenigde Staten

De hoofdvraag van dit hoofdstuk is: wat zijn de rollen en de functies van wereldsteden? Welke mondiale invloed hebben Washingon, New York, Los Angeles?

 

4.1 Knooppunten in mondiale netwerken

 

► Een megalopolis is een aaneengegroeid stedelijk gebied, met onderling sterk verbonden steden. 

● Is sprake van één wereldstad, dan heet dat een metropool.

● Een megastad is ook één grote stad, met meer dan 10 miljoen inwoners.

► Internationale knooppunten hebben meerdere kenmerken: 

● Door de wisselwerking tussen stad en omgeving vormen die samen een functionele regio.

■ In de VS wordt dit vaak aangeduid met MSA (voorbeeld: New York city).

● Ook zijn ze onderdeel van een stedelijk netwerk, ofwel: een hub- en spokesnetwerk.

► Een hub- en spokesnetwerk is kenmerken voor een mainportregio. Die heeft specifieke voordelen:

● een hoge bevolkingsdichtheid.

● uitwisseling van kennis en dienstverlening.

● het achterland zorgt voor aan- en afvoer van goederen

► De opbouw en het ruimtelijk patroon van Amerikaanse steden is als volgt:

● Een CBD data het hart van de stad vormt.

● Oudere woonwijken, die net buiten het CBD liggen.

► Ander verschijnsel zijn edge city’s. Ze functioneren los van de centrale stad. Kenmerken:

● Ontstaan na 1960, hoog voorzieningenniveau, kantooroppervlakte is minstens 465.000 m², detailhandel is minstens 56.000 m² groot. De woningdichtheid is er lager dan de kantoordichtheid. 

● Edge city’s zijn volledig ingericht op autoverkeer.

► Nadelen:

● Oude stadscentra raken in verval.

● De verschillen in welvaart, opleidingsniveau en etnische achtergrond tussen centrum en omgeving worden zo steeds groter.

● De toenemende verstedelijking wordt als negatief ervaren.

● Ook leidt het onderhoud en de aanleg van infrastructuur tot hoge kosten voor de lokale overheid.

► Om de verpaupering van de binnensteden tegen te gaan is het belangrijke ze te renoveren.

● De afgelopen tijd is daar actief beleid voor gemaakt en uitgevoerd.

● Het opknappen van oude wijken leidt tot gentrification.

 

4.2 Washington, New York en Los Angeles nader bekeken

 

Internationale migratie

► De belangrijkste migrantengroepen in steden van de VS zijn:

● Europeanen zijn de grootste groep, die arriveerden vooral vanaf de 19e eeuw.

● De vele Afro-Amerikanen zijn vaak afstammelingen van Afrikaanse slaven.

● Latino’s en Hispanics, komend uit Midden- en Zuid-Amerika.

● Aan de westkust vestigden zich veel Aziaten vanaf jaren ’60 vorige eeuw.

► Washington is de hoofdstad van de VS. Kenmerken zijn:

● locatie van de stad was een politieke keuze

● er zijn veel invloedrijke overheids- en maatschappelijke instellingen.

● het stedelijk gebied strekt zich uit over meerdere staten. Er zijn edge city’s ontstaan door de decentralisatie van overheidsgebouwen.

► De kenmerken van New York zijn:

● de gunstige ligging aan de rivier de Hudson en aan de Atlantische kust

● de belangrijke functie als wereldhaven en distributiecentrum

● veel zakelijke dienstverlening.

► De economische aantrekkingskracht van de stad is enorm, maar de stad kent grote verschillen in arm en rijk, ook ruimtelijk gezien.

● Arm zijn vooral de wijken waar veel zwarten wonen.

● Een groeiende economie geeft ook veel werk voor laaggeschoolden; bij laagconjunctuur zijn die ook juist kwetsbaar. 

► De kenmerken van Los Angeles zijn:

● haar kosmopolitisch karakter; met inwoners vanuit veel verschillende culturen

● de aanwezigheid van een grote culturele industrie.

● De zogeheten ‘creative class’ vormt de motor van innovaties.

► Er wonen ook veel migranten. Er is vooral veel volgmigratie. Er zijn twee typen:

● gezinshereniging.

● gezinsvorming met iemand uit het land van herkomst.

► Etnische groepen profiteren niet in dezelfde mate van de globalisering. Het leidt tot economische en maatschappelijke tegenstellingen in de stad.

● De ruimtelijke scheiding van etnische groepen heet ruimtelijke segregatie.  

● Het kan de vorm krijgen van gettovorming. 

● Een andere vorm zijn het ontstaan van gated communities. 

● Verschil in economische status leidt tot sociale polarisatie en conflicten.

 

 

 

 

http://www.eindexamen.nu

http://examen.pagina.nl

www.havovwo.nl

http://examen.kennisnet.nl