spotlight

De examens zijn weer begonnen!!

Milou, die maandag examen kunst heeft gedaan, heeft haar verhaal gedaan voor de Alkmaarsche Courant (zie verder in dit bericht).

 

Woensdag 16 mei

Woensdagochtend deden de leerlingen van 5 Havo examen Duits. Elisha en Monique gaven aan dat het examen makkelijk begon, maar daarna steeds moeilijker werd.

“Het was ook best veel werk, twaalf teksten met 42 vragen. We hadden vooraf wel goed geoefend, er zaten geen onverwachte opgaven bij.”
De meest opvallende tekst was er een over een tuinkabouter die 7 maanden op wereldreis was geweest… was meegenomen uit een tuin…
Jordy: “Over het algemeen wat het examen echt niet makkelijk, alleen in het begin was het simpel.”

Thomas gaf nog aan dat het vele leeswerk soms niet in verhouding stond tot de op te leveren score; anderhalve bladzijde lezen voor maar één punt…

 

Woensdagmiddag stond voor 4vmbo het examen Nederlands op het programma. Terwijl velen nog zuchtten onder het werk, kwamen Mara, Leonie, Margreet en Anne als eersten de examenzaal uit.

De meningen waren verdeeld. Mara vond het minder werk dan verwacht, ‘maar je moest wel vet opschieten’. Ze had ook meer open vragen verwacht. Margreet had veel oefenexamens van andere jaren gedaan, ze vond dit examen moeilijker; ‘De vraagstelling was niet altijd duidelijk’; wat werd bedoeld met “algemene opvatting”? Het meeste werk was de samenvatting, die ging over het opgeven van doelen.

Anne vond die heel moeilijk; ‘je mocht maar vet weinig woorden gebruiken!’. De meiden moest zo’n 5,5 halen voor hun examen, ze hopen dat dat gelukt is.


 

 

 


Geschiedenis

Geschiedenis:

Hoe gaat de onderbouw en de bovenbouw te werk:

In de onderbouw leer je vooral eerst de basis: je leert dan vooral hoe mensen vroeger leefden. Welke materialen ze gebruikten om aan hun behoeften te voorzien. Zoals wat je hieronder ziet: de tijd van de jagers en de boeren, de Grieken en de Romeinen enz..

In de bovenbouw wordt eerst alles weer herhaald en er wordt dieper opingegaan. Je krijgt dan ook veel meer over de eerste en de tweede wereldoorlog.

Wat handige sites over het vak Geschiedenis:

http://www.geschiedenis.nl/

http://wp.digischool.nl/geschiedenis/

Tijdvakken en kenmerkende aspecten van het vak geschiedenis:

1.      Tijd van jagers en boeren

Prehistorie: - 3000 voor Christus

Jagers en boeren. Het eerste tijdvak omvat twee belangrijke bestaanswijzen van

de mensheid: die van nomadische jager-verzamelaars die leven van en in de natuur,

en die van sedentaire boeren die begonnen zijn de natuur naar hun hand te zetten.

De overgang tussen deze twee bestaanswijzen is van zeer groot belang. Het is het begin

van het eeuwenlange proces van 'de aarde in cultuur brengen'. Dat is een verandering

vergelijkbaar met de industriële revolutie. Vandaar: jagers en boeren.

 

2.      Tijd van Grieken en Romeinen

 

Oudheid: 3000 voor Christus - 500 na Christus

 

Grieken en Romeinen. Deze twee volken staan symbool voor de oude klassieke

beschavingen die de wortel vormen van de (westerse) cultuur. In de eeuwen na de tijd

van Grieken en Romeinen is steeds op deze klassieke ('voorbeeldige') periode

teruggegrepen. Ook andere culturen dan de westerse kennen vaak zo'n klassieke

periode. Dit tijdvak had dus ook 'klassieke beschavingen' kunnen heten, maar dat

spreekt minder tot de verbeelding. Daarom: Grieken en Romeinen.

 

 

3.      Tijd van monniken en ridders

 

Vroege Middeleeuwen: 500 – 1000

 

 

Monniken en ridders. De monniken staan voor de verspreiding van de

wereldgodsdienst van het christendom in Europa, waarbij kloosters een belangrijke rol

speelden. In deze tijd werd ook een andere belangrijke wereldgodsdienst gevestigd: de

islam. De ridders staan voor het versnipperde feodale stelsel in het bestuur. 'Vazallen'

was misschien een beter woord geweest, maar dat is minder bekend. Ridders dus

(hoewel de echte 'ridderlijke' cultuur in de zin van 'hoofse cultuur' meer in de late

Middeleeuwen thuishoort).

 


4.      Tijd van steden en staten

 

Hoge en late Middeleeuwen: 1000 - 1500

 

Steden en staten. In deze tijd vond de opkomst van de middeleeuwse steden met

ambachten, handel en een burgercultuur plaats. Het is ook de tijd van het begin van

staatsvorming. Vorsten proberen het feodalisme in te dammen met ambtelijke

organisaties. Vandaar 'staten'. Dat woord kan ook op een andere wijze worden

opgevat, namelijk in de zin van 'standenvergadering'. De vorsten lieten zich vaak

adviseren door dergelijke standen- of statenvergaderingen, zoals in de Nederlanden de

gewestelijke staten en later de Staten-Generaal.


5. Tijd van ontdekkers en hervormers

Renaissancetijd en 16e eeuw: 1500 – 1600



Ontdekkers en hervormers. De ontdekkers zijn de wereldreizigers, maar ook de

ontdekkers in de nieuwe empirische wetenschap, zoals bijvoorbeeld Copernicus.

Leonardo da Vinci kan op zijn manier ook een ontdekker genoemd worden. De

hervormers zijn de kerkhervormers, maar ook de vormers van een nieuwe

gedachtewereld: die van de renaissance. De kunstenaars van de renaissance kunnen

gezien worden als belangrijke hervormers van de kunst.



6.      Tijd van regenten en vorsten

Gouden Eeuw en 17e eeuw: 1600 – 1700

 

 

Regenten en vorsten. Het proces van staatsvorming zet zich krachtig door. In de

meeste landen door het vormen van absolute koninkrijken (vorsten), maar in het geval

van de Nederlanden in de vorm van een oligarchische republiek (regenten). Ook in

Engeland kreeg de vorst te maken met oppositie.



7.      Tijd van pruiken en revoluties

Eeuw van de Verlichting en 18e eeuw: 1700 – 1800



Pruiken en revoluties. Eigenlijk had deze tijd die van 'Verlichting en revoluties'

moeten heten. Maar het woord Verlichting roept geen beeld op. Daarom associeert de

naam van de tijd toch maar met de pruikendragers, hoewel het meer moet gaan om de

gedachtewerelden die in de hoofden onder deze pruiken schuilgingen. Met de

revoluties worden de democratische revoluties uit het laatste kwart van de eeuw

bedoeld (hoewel in Engeland in dezelfde tijd ook de industriële revolutie begon).



8.      Tijd van burgers en stoommachines

Industrialisatietijd en 19e eeuw: 1800 – 1900



Burgers en stoommachines. Burgers staan voor de ontwikkeling staatsburgerschap

en kiesrecht en stoommachines voor de industrialisatie die in dit tijdvak een

belangrijke rol speelden.



9.      Tijd van de wereldoorlogen

 

Eerste helft 20e eeuw: 1900 - 1950

 

Wereldoorlogen. Deze benaming voor de eerste helft van de twintigste eeuw

spreekt voor zichzelf: het is de tijd waarin twee grote wereldoorlogen werden

uitgevochten. Relaties met totalitaire bewegingen en de economische crisis liggen voor

de hand.

10.  Tijd van televisie en computer

 

Tweede helft 20e eeuw: vanaf 1950

 

 


Televisie en computer. De tweede helft van de twintigste eeuw laat een snelle

technologische ontwikkeling zien en het ontstaan van welvaart in verzorgingsstaten.