Nieuws en agenda
Downloads
Wie we zijn
De organisatie
Pedagogisch concept
Het onderwijs
vmbo
Van der Meij College
vwo/havo
Afspraken en regels
ICT commissie
Vakanties
Vacatures
Contact en adres
Over onze school
vmbo
vwo/havo
Contactpersonen
Begeleiding
Vakken
Mediatheek
Keuzebegeleiding/PSO vmbo
Keuzebegeleiding vwo/havo
Dalton in actie
Fotoalbum
Muziektheaterklassen
Activiteiten
Stages
Informatiekunde
Aardrijkskunde
Biologie
CKV 1
Dans
Duits
Nederlands
Engels
Frans
Geschiedenis en staatsinr.
Lichamelijke opvoeding
Muziek
Natuurkunde
OSB
Spaans
Techniek
Wiskunde
Schoolfeesten
Introductie brugklas
Excursies
Vakken
Open Dag
Sport
Projecten
Kerstgala 2010
Schoolfeest 1 april
De examens zijn weer begonnen!!
Milou, die maandag examen kunst heeft gedaan, heeft haar verhaal gedaan voor de Alkmaarsche Courant (zie verder in dit bericht).
Woensdag 16 mei
Woensdagochtend deden de leerlingen van 5 Havo examen Duits. Elisha en Monique gaven aan dat het examen makkelijk begon, maar daarna steeds moeilijker werd.
“Het was ook best veel werk, twaalf teksten met 42 vragen. We hadden vooraf wel goed geoefend, er zaten geen onverwachte opgaven bij.”
De meest opvallende tekst was er een over een tuinkabouter die 7 maanden op wereldreis was geweest… was meegenomen uit een tuin…
Jordy: “Over het algemeen wat het examen echt niet makkelijk, alleen in het begin was het simpel.”
Thomas gaf nog aan dat het vele leeswerk soms niet in verhouding stond tot de op te leveren score; anderhalve bladzijde lezen voor maar één punt…
Woensdagmiddag stond voor 4vmbo het examen Nederlands op het programma. Terwijl velen nog zuchtten onder het werk, kwamen Mara, Leonie, Margreet en Anne als eersten de examenzaal uit.
De meningen waren verdeeld. Mara vond het minder werk dan verwacht, ‘maar je moest wel vet opschieten’. Ze had ook meer open vragen verwacht. Margreet had veel oefenexamens van andere jaren gedaan, ze vond dit examen moeilijker; ‘De vraagstelling was niet altijd duidelijk’; wat werd bedoeld met “algemene opvatting”? Het meeste werk was de samenvatting, die ging over het opgeven van doelen.
Anne vond die heel moeilijk; ‘je mocht maar vet weinig woorden gebruiken!’. De meiden moest zo’n 5,5 halen voor hun examen, ze hopen dat dat gelukt is.
Geschiedenis
Geschiedenis:
Hoe gaat de onderbouw en de bovenbouw te werk:
In de onderbouw leer je vooral eerst de basis: je leert dan vooral hoe mensen vroeger leefden. Welke materialen ze gebruikten om aan hun behoeften te voorzien. Zoals wat je hieronder ziet: de tijd van de jagers en de boeren, de Grieken en de Romeinen enz..
In de bovenbouw wordt eerst alles weer herhaald en er wordt dieper opingegaan. Je krijgt dan ook veel meer over de eerste en de tweede wereldoorlog.
Wat handige sites over het vak Geschiedenis:
http://wp.digischool.nl/geschiedenis/
Tijdvakken en kenmerkende aspecten van het vak geschiedenis:
1. Tijd van jagers en boeren
Prehistorie: - 3000 voor Christus
Jagers en boeren. Het eerste tijdvak omvat twee belangrijke bestaanswijzen van
de mensheid: die van nomadische jager-verzamelaars die leven van en in de natuur,
en die van sedentaire boeren die begonnen zijn de natuur naar hun hand te zetten.
De overgang tussen deze twee bestaanswijzen is van zeer groot belang. Het is het begin
van het eeuwenlange proces van 'de aarde in cultuur brengen'. Dat is een verandering
vergelijkbaar met de industriële revolutie. Vandaar: jagers en boeren.
2. Tijd van Grieken en Romeinen
Oudheid: 3000 voor Christus - 500 na Christus
Grieken en Romeinen. Deze twee volken staan symbool voor de oude klassieke
beschavingen die de wortel vormen van de (westerse) cultuur. In de eeuwen na de tijd
van Grieken en Romeinen is steeds op deze klassieke ('voorbeeldige') periode
teruggegrepen. Ook andere culturen dan de westerse kennen vaak zo'n klassieke
periode. Dit tijdvak had dus ook 'klassieke beschavingen' kunnen heten, maar dat
spreekt minder tot de verbeelding. Daarom: Grieken en Romeinen.
3. Tijd van monniken en ridders
Vroege Middeleeuwen: 500 – 1000
Monniken en ridders. De monniken staan voor de verspreiding van de
wereldgodsdienst van het christendom in Europa, waarbij kloosters een belangrijke rol
speelden. In deze tijd werd ook een andere belangrijke wereldgodsdienst gevestigd: de
islam. De ridders staan voor het versnipperde feodale stelsel in het bestuur. 'Vazallen'
was misschien een beter woord geweest, maar dat is minder bekend. Ridders dus
(hoewel de echte 'ridderlijke' cultuur in de zin van 'hoofse cultuur' meer in de late
Middeleeuwen thuishoort).
4. Tijd van steden en staten
Hoge en late Middeleeuwen: 1000 - 1500
Steden en staten. In deze tijd vond de opkomst van de middeleeuwse steden met
ambachten, handel en een burgercultuur plaats. Het is ook de tijd van het begin van
staatsvorming. Vorsten proberen het feodalisme in te dammen met ambtelijke
organisaties. Vandaar 'staten'. Dat woord kan ook op een andere wijze worden
opgevat, namelijk in de zin van 'standenvergadering'. De vorsten lieten zich vaak
adviseren door dergelijke standen- of statenvergaderingen, zoals in de Nederlanden de
gewestelijke staten en later de Staten-Generaal.
5. Tijd van ontdekkers en hervormers
Renaissancetijd en 16e eeuw: 1500 – 1600
Ontdekkers en hervormers. De ontdekkers zijn de wereldreizigers, maar ook de
ontdekkers in de nieuwe empirische wetenschap, zoals bijvoorbeeld Copernicus.
Leonardo da Vinci kan op zijn manier ook een ontdekker genoemd worden. De
hervormers zijn de kerkhervormers, maar ook de vormers van een nieuwe
gedachtewereld: die van de renaissance. De kunstenaars van de renaissance kunnen
gezien worden als belangrijke hervormers van de kunst.
6. Tijd van regenten en vorsten
Gouden Eeuw en 17e eeuw: 1600 – 1700
Regenten en vorsten. Het proces van staatsvorming zet zich krachtig door. In de
meeste landen door het vormen van absolute koninkrijken (vorsten), maar in het geval
van de Nederlanden in de vorm van een oligarchische republiek (regenten). Ook in
Engeland kreeg de vorst te maken met oppositie.
7. Tijd van pruiken en revoluties
Eeuw van de Verlichting en 18e eeuw: 1700 – 1800
Pruiken en revoluties. Eigenlijk had deze tijd die van 'Verlichting en revoluties'
moeten heten. Maar het woord Verlichting roept geen beeld op. Daarom associeert de
naam van de tijd toch maar met de pruikendragers, hoewel het meer moet gaan om de
gedachtewerelden die in de hoofden onder deze pruiken schuilgingen. Met de
revoluties worden de democratische revoluties uit het laatste kwart van de eeuw
bedoeld (hoewel in Engeland in dezelfde tijd ook de industriële revolutie begon).
8. Tijd van burgers en stoommachines
Industrialisatietijd en 19e eeuw: 1800 – 1900
Burgers en stoommachines. Burgers staan voor de ontwikkeling staatsburgerschap
en kiesrecht en stoommachines voor de industrialisatie die in dit tijdvak een
belangrijke rol speelden.
9. Tijd van de wereldoorlogen
Eerste helft 20e eeuw: 1900 - 1950
Wereldoorlogen. Deze benaming voor de eerste helft van de twintigste eeuw
spreekt voor zichzelf: het is de tijd waarin twee grote wereldoorlogen werden
uitgevochten. Relaties met totalitaire bewegingen en de economische crisis liggen voor
de hand.
10. Tijd van televisie en computer
Tweede helft 20e eeuw: vanaf 1950
Televisie en computer. De tweede helft van de twintigste eeuw laat een snelle
technologische ontwikkeling zien en het ontstaan van welvaart in verzorgingsstaten.